home   o princípio les 15


Até à próxima 



 

 
les 1
les 2
les 3
les 4
les 5
les 6
les 7
les 8
les 9
les 10
les 11
les 12
les 13
les 14
les 15


inhoud
register
 

vergroten en verkleinen
trappen van vergelijking
enkele speciale werkwoorden op -ar
uitspraak van b,d, f, l, p, t en v



Eerst praten!
open de geluidsbestandjes en praat mee!

spreekoefening 15
  um telefonema een telefoongesprek
M Estou Hallo (letterlijk: ik ben).
A Está lá? É a Maria? Met wie spreek ik. Maria?
M Sou sim. Quem fala? Ja, met wie spreek ik?
A Daqui fala o António.
Bom dia, como estás?
Hier spreekt Antonio.
Goede morgen, hoe is het?
M Olá. Bem, eu estou bem. Obrigado. E tu? Hallo. Goed, met mij gaat het goed. Dank je. En met jou?
A Mais ou menos, obrigado.
Estou muito cansado do trabalho.
Het gaat, dank je.
Ik ben erg moe van het werken.
M Então vai descansar um pouco. Ga dan maar een beetje uitrusten.
A Convido-te já para o almoço.
Estás disponível hoje?
Ik nodig je vast uit voor de lunch.
Heb je tijd vandaag?
M Estou sim. Onde? Ja. Waar?
A Vamos ao restaurante do Carlos. Laten we naar het restaurant van Carlos gaan.
M A que horas? Hoe laat?
A É contigo. Dat laat ik aan jou over.
M À uma e meia? Wat vind je van half twee?
A Combinado, até logo. Afgesproken, tot straks.
M Tchau, beijinho. Chiau, groetjes.
A Beijinhos. Daag.


palavras portuguesas beroepen en zo
uma empresa een bedrijf eles andam na escola zij zitten op school
a profissão beroep a (sala de) aula klaslokaal
o padeiro bakker dar aulas les geven
o empreiteiro aannemer os alunos leerlingen
o pedreiro metselaar o estudante student
o carpinteiro timmerman o papel papier
o cabeleireiro (dames)kapper o caderno schrift
o barbeiro (heren(kapper) o lápis potlood
o professor leraar a caneta pen
o cozinheiro kok a escola primária de lagere school
o empregado de mesa kelner a escola secundária middelbare school
o advogado advocaat a universidade universiteit
o fisioterapeuta fysiotherapeut ensino profissional beroepsonderwijs
o funcionário publico ambtenaar o palhaço clown
o motorista de táxi taxichauffeur o enfermeiro verpleger
a polícia politie o político politicus
o bancário bankbediende o médico arts
o jornalista journalist o telefonista telefonist
o vendedor verkoper o negociante handelaar



oefening 15.1 Beantwoord de volgende vragen in correct Portugees
1 Quem telefona?
2 Qual é o motivo dele para telefonar?
3 A que horas se realiza o telefonema?
4 Como se chama a mulher?
5 Ela é portuguesa?
6 Onde é que ela está?
7 Como é que ela se sente?
8 E ele?
9 Onde vão eles almoçar?
10 A que horas?
11 Falam muito tempo?
12 Quem escolhe o restaurante?
13 Como é que eles se despedem?


En kun je de volgende beroepen benoemen?

oefening 15.2
1 Quem trabalha num hospital e cuida dos doentes?
2 Quem mistura água com farinha e amassa pãezinhos?
3 Quem anda de táxi e leva as pessoas para todo o lado?
4 Quem corrige os trabalhos de casa?
5 Quem trabalha na cozinha e faz comida?
6 Quem tem a cara pintada e faz rir?
7 Quem está sempre na loja e vende coisas?
Klik hier voor de antwoorden.




Vergroten en verkleinen



Om iets te versterken gebruiken we 'muito', hetgeen betekent veel, erg, heel of zeer.
muito limpo
muito lindo
muito interessantes
muito pouco

Dit is verreweg de meest gebruikte manier om een uitspraak te versterken.

In het Portugees kunnen behalve zelfstandige naamwoorden ook bijvoeglijke naamwoorden worden verkleind.
Het meest gebruikt wordt de uitgang -inho en -inha die normaalgesproken de uitgangsklinker vervangen. Soms verandert daarbij de g en de c in gu. (Dit is om de uitspraak te bewaren). Kijk maar.

livro - livrinho boek - boekje
amigo - amiguinho vriend - vriendje
casa - casinha huis - huisje
perto - pertinho dichtbij - heel dichtbij
fresco - fresquinho fris - lekker fris
verde - verdinho groen - mooi groen

Wanneer het te verkleinen woord op een medeklinker of een benadrukte klinker eindigt wordt het -zinho, -zinha
mulher - mulherzinha
café - cafezinho
hotel - hotelzinho
melhor - melhorzinho
bom - bonzinho
boa - boazinha

Bijzondere gevallen zijn:
pequeno - pequenino/a - erg klein
pobre - pobrezinho/a - erg arm
pouco - poucochinho/a - heel weinig
devagar - devagarinho/a - heel langzaam


oefening 15.3 vul een verkleinwoord in dat klopt...
1 este quarto é pequenino, é um ...
2 o pobrezinho tem ...
3 o carrinho andou ...
4 a minha casinha é ...
5 hoje estás ... ?
6 a cervejinha está ...
7 bebemos um ... no ...
8 as tuas mãos estão ...
9 moraram numa ... ...
10 estás ... hoje?
11 tu és a minha ...
klik hier voor mogelijke antwoorden




Een speciale manier om eigenschappen met elkaar te vergelijken bieden de


Trappen van vergelijking


  • MEER... DAN

    mais ... (do) que
    O Pedro é mais alto (do) que a Ana Peter is groter Ana
    a Ana é mais baixa (do) que o Pedro Ana is kleiner dan Peter
    Uitzondering:
    bom - melhor goed-beter
    mau - pior
    slecht- slechter
    grande - maior
    groot-groter



  • MINDER... DAN

    menos ... (do) que
    a rapariga é menos alta (do) que o rapaz
    o rapaz é menos baixo (do) que a rapariga


  • NET ZO... ALS/ EVENVEEL... ALS

    --Bij bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden
    tão ... como
    este hotel é tão moderno como os outros
    eu falo português tão bem como tu

    --Bij zelfstandige naamwoorden en werkwoorden
    tanto .... como
    há tantas crianças num grupo como no outro?
    ela trabalha tanto como eu
    Ook wel:
    tanto... quanto
    comi tantos biscoitos quanto ele

    let op Zoals je al zag: als tanto bijvoeglijk is, wordt het verbogen.

Dit was de vergelijkende trap.

We hebben ook nog de overtreffende trap, die niet erg veel gebruikt wordt. Het klinkt nogal overdreven of kan ook grappig bedoeld zijn. Geschikt als slogan bijvoorbeeld.

o rapaz é muito alto, ele é altíssimo
a rapariga é muito moderna, ela é moderníssima
este café é o melhor, é ótimo
este dia é o pior, é péssimo
isto é um movimento importantíssimo


Over het algemeen zegt men het zó:
este morango é o maior deze aardbei is de grootste
ele é o mais engraçado hij is het grappigst
ela é a menos ciumenta zij is het minst jaloers
esta frase é a mais importante dit is de belangrijkste zin


Nog even:
ik ... liever dan wordt vaak vertaald met
prefiro ... de que
Voorbeeld:
prefiro morrer de que perder a fala ik sterf liever dan dat ik mijn spraak verlies
prefiro mulheres de que homens ik hou meer van vrouwen dan van mannen


oefening 15.4 vul een passend woord in
1 ela tem as pernas ...
2 Lisboa é ... que Faro
3 qual é a cidade ... comprida ?
4 eu sou ... alto ..... o meu irmão
5 ele é ... forte ..... a minha irmã
6 ela tem ... tios ... tu
7 acho o livro ...
8 ela não é linda, ela é ...
9 sei ...  ... tu
10 gosto de ... fresquinho
11 o pai é ... carinhoso ... a mãe
12 este café é ... do que o outro
13 mas aquele é o ...
14 este rapaz é ... inteligente ... os outros
15 a carrinha gasta ... gasóleo ..... o carro
klik hier voor mogelijke antwoorden
Heb je hulp nodig bij het vertalen van sommige zinnetjes? klik dan hier




Speciaal...


Zes -ar werkwoorden om veel te gebruiken
Het zijn allemaal regelmatige werkwoorden. Het speciale zit 'm in het gebruik.
  • achar vinden/denken
    acho isto um pouco maluco ik vind dit een beetje gek
    achar que sim vinden/denken van wel
    achar que não vinden/denken van niet

  • costumar +werkwoord= gewoonlijk...
    costumo ler o jornal antes do pequeno-almoço ik lees gewoonlijk de krant vóór het ontbijt
    ela costuma estudar de manhã zij heeft de gewoonte ´s ochtends te studeren

  • chegar betekent aankomen, arriveren, óók in figuurlijke zin. Het betekent ook: genoeg zijn.
    hoje chega a minha irmã a Portugal vandaag arriveert mijn zus in Portugal
    chega uma altura... er komt een tijd
    chega zo is het genoeg

  • continuar a +werkwoord = blijven (doorgaan met)
    continuas a trabalhar? ga je door met werken?
    poluição do ar em Lisboa continua a bater recordes luchtvervuiling in Lissabon blijft records slaan

  • acabar por tenslotte...
    ele acabou por não assinar tenslotte heeft hij niet getekend
    Een ander gebruik van acabar is:
    acabar de
    (zojuist geeindigd te)
    acabamos de ouvir (afkondiging) we hebben zojuist geluisterd naar...

  • gostar de houden van (leuk, lief, mooi vinden, graag ...)
    gosto da minha mãe ik hou van mijn moeder
    gosta de dançar? dans je graag?


oefening 15.5 vul de juiste vorm in
1 ela ... o português muito fácil
2 ele ... por não comer nada
3 ... uma altura que desistimos
4 ... a chover
5 ... que ele também vai?
6 ... de falar francês
7 a Beta não ... do arroz de marisco?
8 ... a ... estranho
9 ele ... à horas a casa?
10 ... que sim
11 ... de sair
12 ... chata!
13 ... a casa pequena?
14 ... por me calar
15 ... passar as férias em Faro
klik hier voor de antwoorden
heb je de vertaling nog nodig?



En dan nu de allerlaatste oefening van 'o Princípio'!

oefening 15.6 kies het juiste werkwoord in de juiste vorm
1 ... o português muito difícil we vinden Portugees heel moeilijk
2 ela ... trabalhar muito zij werkt vaak heel hard
3 ... de falar francês ik spreek graag Frans
4 eles ... hoje a Faro zij komen vandaag aan in Faro
5 os senhores ... a conversa u gaat door met het gesprek
6 ... ... não ter nada tenslotte hebben we niets
7 ele ... estudar de manhã hij leert gewoonlijk ´s ochtends
8 ... ... ficar em casa tenslotte blijft hij (toch maar) thuis
9 ... ... de estudar? ben je net klaar met leren?
10 não ... dela ik mag haar niet
11 ... , não quero mais. genoeg, ik wil (hoef) niet meer
12 ele ... chamar nomes hij blijft maar schelden
klik hier voor de antwoorden




Uitspraak van b, d, f, l, p, t en v


Zeer eenvoudig deze keer: de uitspraak van de b, d, f, t en v is gelijk aan de Nederlandse.
Geen speciale oefening dus!
Toch even proberen?
Hier volgt een aantal estrava-línguas (tongbrekers). Ik hoop dat je er net zoveen plezier aan beleeft als Manel.


 a bomba dos bombeiros voluntários 
 é boa, bonita e barata e trabalha bem 


 o tempo perguntou ao tempo 
 quanto tempo o tempo tem 
 o tempo respondeu ao tempo 
 que o tempo tem tanto tempo 
 quanto o tempo tem 


 se a liga me ligasse 
 eu ligava à liga 
 mas como a liga não me liga 
 eu também não ligo à liga 

 Pedro Paulo Pacheco Pereira, pobre pintor português 
 pede passagem para passar para Portugal 



Wil je er nog één? Manel kon er niet genoeg van krijgen :-)

De m aan het begin van een woord klinkt ook heel vertrouwd.


 Mário Mora foi a Mora 
 com intenção de vir embora 
 mas, como em Mora demora 
 diz um amigo de Mora: 
 -Está cá o Mora? 
 -Está, está cá o Mora .
-Então agora o Mora 
 mora em Mora? 
 Mora, mora 

Eindopdracht

Deze bestaat uit twee onderdelen.
A
stuur de antwoorden van oefening 15.1 naar de docent
B
schrijf een afscheidsbrief aan ons allemaal
Daarin zien we natuurlijk graag zoveel mogelijk terug van wat je geleerd hebt.
Succes!

einde van les 15