home   o princípio les 14


Peço perdão!



 

 
les 1
les 2
les 3
les 4
les 5
les 6
les 7
les 8
les 9
les 10
les 11
les 12
les 13
les 14
les 15


inhoud
register
 

- belangrijkste bijwoorden van plaats
- onregelmatige werkwoorden op -ir
- presente van VIR
- uitspraak van g, h en j



Praten maar!


Open de 'stem' en oefen de volgende zinnen!


spreekoefening 14
peço perdão! neem me niet kwalijk!
fazemos as compras aos sábados wij doen zaterdags boodschappen
a qualidade deste algodão é muito boa de kwaliteit van deze katoen is heel goed
quanto é? hoeveel is het?
quanto custa? hoeveel kost het?
são vinte euros e trinta cêntimos het is 20 euro en 30 cent
pagamos em euros we betalen in euro's
só tenho estas notas ik heb alleen deze bankbiljetten
tem troco? hebt u kleingeld?
dá-me duzentos gramas twee ons graag (geef me ...)
quero três quilos de batatas drie kilo aardappels graag (ik wil ...)
mais (alguma coisa)? anders nog iets?
é tudo? is dat alles?
mais nada? verder niets?
já se acabou o bacalhau? is er geen stokvis meer?
já foi atendido? bent u al geholpen?
venho pagar a dívida ik kom mijn schuld betalen
ouço muito barulho ik hoor veel lawaai




palavras portuguesas maten en zo
quanto mede este quarto? hoe groot is deze kamer?
mais logo meço tudo straks meet ik alles
esta sala deve ter uns três metros de altura deze kamer zal een drie meter hoog zijn
tem trinta centímetros de largura dit is 30 cm breed
dois metros de comprimento twee meter lang
um metro por metro een bij een meter
metro cúbico kubieke meter
o terreno tem quinhentos metros quadrados het terrein is 500 m2
comprido lang largo breed  
curto kort estreito smal  
 
o peso het gewicht roupa kleren
um quilo een kilo o casaco jas
meio quilo een pond as calças broek
cem gramas een ons a camisola trui
uma dúzia een dozijn a blusa bloes
meia dúzia een half dozijn a camisa hemd
  as peúgas sokken
a loja winkel as meias kousen
a padaria bakker(ij) os sapatos schoenen
o talho slager(ij) o pijama pyjama
a mercearia kruidenier(swinkel) o fato de banho badpak
o minimercado kleine supermarkt o vestido jurk
o supermercado supermarkt o chapéu hoed
o centro comercial winkelcentrum o boné pet
sempre às ordens tot uw dienst os óculos bril



oefening 14.1 formeer 12 zinnen met de volgende woorden, een uit elk rijtje. Denk aan de uitgangen en de lidwoorden!
casa
sapatos
jornal
computador
camisola
planta
cortinas
livros
saia
calças
algodão
óculos
bonito
branco
feio
novo
interessante
azul
bom
verde
moderno
comprido
português
curto
 
1 o João vai comprar uma casa nova 
2 eu tenho ... ... ...
3 ela dá-me ... ...
4 etc
12



Bijwoorden van plaats


In de vorige les heb je kennis genomen van de belangrijkste bijwoorden van tijd. Nu voegen we daar enkele aan toe.


overzicht 14.1 bijwoorden van plaats
dentro binnen perto dichtbij
fora buiten de perto van dichtbij
à frente vooraan longe ver weg
atrás achteraan, erachter de longe uit de verte
(lá) em cima boven no sítio op zijn plaats
por cima van boven em toda a parte overal
para cima naar boven em sítio nenhum nergens
(lá) em baixo beneden antes daarvoor
por baixo van onderen depois daarachter
para baixo naar beneden a seguir meteen daarachter
weet je nog?
aqui hier
daar (waar jij bent)
ali daar (waar de ander is)
além daar (ver van ons)
hier (niet aan te wijzen)
daar (niet aan te wijzen)


Voorbeelden:
aqui está bom tempo hier is het mooi weer
como está o tempo ? hoe is het weer daar (bij jou)
o livro está ali het boek ligt daar (niet zo ver weg)
o banco é além à esquina de bank is daar op de hoek (nogal ver weg)
ela vem muitas vezes zij komt hier (in dit huis, of land) vaak
fico a comer ik blijf daar eten (waar wij het over hebben)




oefening 14.2 vul in
1 a escola fica ... de school is vlakbij
2 moramos ... wij wonen ver weg
3 ... anda o meu pai meteen daarachter loopt mijn vader
4 o avião é ... branco het vliegtuig is van boven wit
5 estou ... na fila ik sta achteraan in de file
6 vamos ... we gaan naar beneden
7 ... há muitas lojas hier zijn veel winkels
8 o que estás a fazer ... ? wat doe je daar?
9 vês aquela mulher ...? zie je die vrouw daarginds
10 nunca vou ... daar ga ik nooit heen
11 está a fazer sol ... ? schijnt daar de zon?
12 o meu quarto é ... mijn kamer is boven
13 hoje comemos ... vandaag eten we buiten (de deur)
14 ... vêm muitas crianças hier komen veel kinderen
15 ... corre o rio ervoor loopt de rivier
16 a manteiga está ... de boter ligt op zijn plaats
17 não encontro o livro ... ik kan het boek nergens te vinden
18 ... há lixo overal ligt vuil(nis)
klik hier voor de antwoorden




Werkwoorden op -IR


Van de werkwoorden op -ir is de overgrote meerderheid regelmatig.
Maar evenals bij de werkwoorden op -er hebben we hier een relatief klein aantal onregelmatige werkwoorden waarvan sommige erg veel gebruikt worden.

Om te beginnen hebben twee groepen werkwoorden op -ir een afwijking in de eerste persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd.
  • medir, ouvir, dormir, cobrir en pedir


    overzicht 14.2
    medir meten eu meço
    ouvir horen, beluisteren eu ouço
    dormir slapen eu durmo
    cobrir bedekken eu cubro
    pedir verzoeken eu peço


    Voor de rest zijn medir, ouvir, dormir, cobrir en pedir regelmatig en worden dus vervoegd als partir.



  • Een tweede, vrij grote grote groep werkwoorden op -ir heeft een e in de voorlaatste lettergreep en die e verandert in de eerste persoon enkelvoud in i.
    conseguir, despir, divertir-se, mentir etcetera

    Kijk:

    overzicht 14.3
    conseguir slagen consigo
    despir uittrekken dispo
    divertir-se zich amuseren divirto-me
    mentir liegen minto
    preferir liever hebben prefiro
    repetir herhalen repito
    seguir volgen sigo
    sentir voelen sinto
    sugerir suggereren sugiro
    vestir aantrekken visto

    Ook deze groep werkwoorden is verder regelmatig en wordt dus vervoegd als partir.



  • Dan is er een groep werkwoorden op -ir met meerdere afwijkingen in de vormen van de tegenwoordige tijd.



    overzicht 14.4
    cair vallen caio cais cai caímos caem
    sair uitgaan saio sais sai saímos saem
    fugir vluchten fujo foges foge fugimos fogem
    subir stijgen subo sobes sobe subimos sobem
    rir lachen rio ris ri rimos riem

    ook atrair (aantrekken) valt hieronder.



  • Verder kennen ook werkwoorden op -uir, zoals construir en distribuir kleine afwijkingen in de vervoeging.


    overzicht 14.5
    construir bouwen construo construis constrói construímos constróem
    distrubuir verdelen distribuo distribuis distribui distribuímos distribuem


    Heb je de afwijkingen ontdekt? Vergelijk ze anders even met met de vervoeging van partir.



  • Tot slot zijn daar de zeer onregelmatige en veelgebruikte werkwoorden ir en vir, gaan en komen. Ir hebben we behandeld in les 4

    De tegenwoordige tijd van vir ontbrak nog. Hier is ie dan.


    overzicht 14.6 presente van vir
    eu venho
    tu vens
    ele/ela/o senhor/a senhora vem
    nós vimos
    vocês vêm
    eles/elas/os senhores/as senhoras vêm


Dat was een boel informatie.
Met behulp van de volgende puzzel kun je flink oefenen.


oefening 14.3 een puzzel dus. Veel plezier ermee!



Een kleine terugblik op deze les...

oefening 14.4 vul het juiste woord in
1. eles vêm ... esta noite. zij komen hier vanavond
2. também ... ? kom je ook?
3. ... da nossa casa há uma loja beneden ons huis is een winkel
4. ... uma coisa ... ik hoor iets buiten
5. a senhora ... despedir-se? komt u afscheid nemen?
6. eu moro ... e tu moras ... ik woon beneden en jij woont boven
7. quantos metros ... o teu quarto? hoeveel meter is jouw kamer?
8. eu ... perdão. vergeef me
9. já ... ik kom zo
10. nós ... visitar os pais wij komen onze ouders bezoeken
klik hier voor de antwoorden



oefening 14.5 en nu lekker moeilijk, vertaal!
1 ik verzoek (om) stilte
2 de supermarkt staat tegenover de kerk
3 de winkel is 100 meter breed
4 naast ons huis ligt een parkeerterrein
5 die bank daar is de hele dag open
6 ik hoor mijn moeder komen
7 wij gaan nooit naar die kleine supermarkt
8 hij verzoekt haar binnen te komen
9 hier wordt niet gerookt!
10 kom je morgen boodschappen met mij doen?
11 de vogel vliegt over het dorp
klik hier voor de antwoorden



Uitspraak van h, j en g



Eerst maar de h. Deze op zich wordt niet uitgesproken.
In combinatie met andere letters wel. Zoals we gezien hebben in les 2: nh en lh worden respectievelijk uitgesproken als nj en lj. En ch klinkt, heel vertrouwd, als sj

De j klinkt als de Nederlandse zj in etage. jardim

De g klinkt
  • ook als de g in etage, zj dus, wanneer deze gevolgd wordt door -e of-i.


  • g vóór -a, -o, -u of een medeklinker gaat richting eerste k van een snel uitgesproken zakdoek. gordo


En nu een oefening natuurlijk.

Uitspraak van g, h en j


 algodão 
 longe 
 pagamos 
 domingo 
 agosto 
 logo 
 a seguir 
 geralmente 
 horas 
  
 chá 
 loja 
  
 justos 
 jornal 
 laranja 
 hoje 



Huiswerkopdracht

Inventa um fim para esta história (bedenk een slot voor dit verhaal)

A Maria vai comprar um fato novo porque tem uma festa no fim de semana. Vai a uma loja de modas no centro da cidade onde vive. Compra um fato bastante bonito mas também caro. Ela está muito contente , mas quando chega a casa vê que as calças têm uma mancha (vlek).
E agora, o que ela vai fazer?

stuur jouw ontknoping naar de docent, samen met de resultaten van oefening 14.1

einde van les 14