home   o princípio les 11


Estimada senhora



 

 
les 1
les 2
les 3
les 4
les 5
les 6
les 7
les 8
les 9
les 10
les 11
les 12
les 13
les 14
les 15


inhoud
register
 

- vragen beantwoorden
- twee vragende voornaamwoorden
- presente van saber en trazer
- uitspraak van i



Eerst praten!


Gaat het je al gemakkelijker af?


spreekoefening 11
estimada senhora geachte mevrouw
qual é o seu nome? hoe is uw naam?
o meu nome próprio? mijn voornaam?
não, o seu apelido, o nome de família nee, uw achternaam, de familienaam
tem telefone em casa? hebt u thuis telefoon
não, mas tenho telemóvel nee, maar ik heb een mobieltje
qual é o seu código postal? wat is uw postcode?
qual é o seu e-mail? wat is uw e-mailadres?
qual é a sua profissão? wat is uw beroep?
quantas horas trabalhas por dia? hoeveel uur werk je per dag?
não tenho emprego ik heb geen baan
nós gostamos dos colegas we mogen onze collega's graag
os teus filhos andam na escola jouw kinderen zitten op school
são bons alunos het zijn goede leerlingen
por que razão não vais waarom ga je niet?



palavras portuguesas iets te regelen?
comprar e vender kopen en verkopen
atender van dienst zijn, telefoon opnemen, klant helpen
fazer negócios zaken doen
a taxa, o imposto belasting
o cidadão - os cidadãos burger - burgers
a câmara municipal gemeentehuis
os documentos documenten
o posto de polícia politiebureau
fazer um seguro een verzekering afsluiten
a apólice polis
os bombeiros de brandweer(lieden)
o computador está no escritório de computer staat in het kantoor
a organização organisatie
a associação vereniging
o envelope de envelop
compramos os selos nos correios we kopen postzegels op het postkantoor
enviar um postal een kaart sturen
envias-me um cheque? stuur je me een cheque?
receber uma carta een brief ontvangen
porque não? waarom niet?
o nome completo de volledige naam
o endereço, a morada, a direção adres
a data de nascimento geboortedatum
o local de nascimento geboorteplaats
o número do seu telefone uw telefoonnummer
faço negócios ik doe zaken
sete ofícios, catorze desgraças 12 ambachten, 13 ongelukken




oefening 11.1 vul in voor jezelf  
Nome Chamo-me ...............................................
Apelido O meu apelido é ..................................
Data de nascimento Nasci em .................................................
Idade Tenho ........................................................
Estado civil Sou ..............................................................
Profissão Sou ..............................................................
Residência Moro ...........................................................
Nö de telefone O meu nö de telefone é ..................




schriftelijke aanspreektermen afscheidstermen
caro amigo beste vriend um abraço letterlijk: een omhelzing
cara Madalena beste Madalena  
querida Maria lieve Maria beijinhos groetjes, liefs (letterlijk kusjes)
querido Carlos  
olá Carlos hallo Carlos tchau dag
estimado cliente geachte klant os cumprimentos groeten
estimados senhores geachte heren os melhores cumprimentos hartelijke groeten



Ziezo, dat was een boel vocabulair. Misschien nuttig om zo nu en dan eens na te zien?
Maar laten we nu eerst een oefeningetje doen.



oefening 11.2 zoek het juiste woord in de palavras portuguesas hierboven
1. os ... desta cidade
2. qual é a sua ...
3. a carta está num ...
4. o envelope tem um ...
5. ... amiga
6. o posto de ...
7. esta aldeia é a minha ...
8. estimadas ...
9. por que ... não vais?
10. ... são os teus colegas
klik hier voor mogelijke antwoorden



Vragende voornaamwoorden



qual - quais welk, welke, hadden we nog niet gehad
Ook que welk, welke, wat voor en o que wat, hebben we nog tegoed

Bekijk ze goed, ze staan qua betekenis dicht bij elkaar!


overzicht 11.1 wat, welk, hoezo?
qual - quais wordt altijd gevolgd door het werkwoord ser (dat ook als het wordt weggelaten erbij gedacht kan worden)
  qual é o teu quarto? welke (van de kamers) is jouw (slaap)kamer?
  qual deles é o teu marido welke van hen is jouw man?
  quais são os teus? welke zijn van jou?
  qual/quais? welke (is/zijn het)?
een speciale categorie qual é voor: hoe groot, hoe lang, hoe ver
  qual é a distância daqui a Lisboa? hoe ver is Lisboa hier vandaan?
  qual é o tamanho daquele armário? hoe groot is die kast?
  qual é o peso dessa carta? hoe zwaar is die brief?
kan ook met de que é
de que tamanho é aquele armário?
 
que hoort altijd bij een zelfstandig naamwoord
  que nome? welke naam?
  que homens? welke mannen?
de que cor são as flores?
welke kleur hebben de bloemen?

que ... kan ook betekenen: hoezo ...?
que marido? hoezo /je/haar man?
que barco? hoezo (een) boot?
 
o que - o quê o que staat aan het begin (of soms aan het eind) van een zin. 'o' mag naar believen weggelaten worden.
Aan het eind van de zin wordt het o quê; de o verdwijnt na een voorzetsel
  (o) que é isto? wat is dit?
  isto é o quê? dit is wát?
  perguntas o quê? wát vraag je?
isso se come com quê? waar eet je dat bij?
  porque é que ele diz aquilo? waarom zegt hij dat?
  ele diz aquilo porquê? hij zegt dat waaróm?
  para que trazes isso? waarom breng je dat mee?
 
Zowel qual/quais als que komen voor zonder werkwoord, er is een subtiel verschil van betekenis tussen beide
que vraagt naar de aard van iets
qual verwijst naar een keuze
  que alunos? wat voor (welke)leerlingen?
  quais alunos? welke leerlingen?
  que festa? wat voor feest? (hoezo feest?)
  qual festa? welk feest?




Enkele populaire vragen om veel te gebruiken!
que horas são? hoe laat is het?
que dia é hoje? wat is het vandaag?
quantos são hoje? de hoeveelste is het vandaag?
a que horas vamos? hoe laat gaan we?
como se chama/te chamas? hoe heet u/jij?
quantos anos tem/tens?) hoe oud bent u/jij?
donde é/és? waar komt u/jij vandaan?
em que é que trabalha/trabalhas? waarin werkt u/jij?
tem/tens horas? heb (weet) je de tijd?
sabe/sabes dizer-me as horas? kunt u me zeggen hoe laat het is?



En natuurlijk een fikse oefening, met nog meer 'oude bekenden'!

oefening 11.3 vul in qual, qual, quais, que, que, o que, o quê, porquê, quantas, quanto, como, aonde, quando, quem, donde
vertaal de zinnetjes ook nog even
1 ... filhas tem?
2 ... é o local de nascimento dele?
3 ... é que ele parte?
4 ... são as cores?
5 ... vão visitar?
6 ele faz aquilo ...
7 tu dizes ...?
8 ... vais?
9 ... é que te chamas?
10 ... ela tem?
11 ... é a senhora?
12 ... é a sua casa?
13 em ... cidade mora?
14 ... custa um selo?
15 para ... queres isso?
klik hier voor de antwoorden



Het Portugees heeft een speciale manier van

Antwoorden geven

.

De gebruikelijke manier om een vraag bevestigend te beantwoorden is het werkwoord van de vraag in aangepaste persoonsvorm te herhalen.


vamos passear? gaan we op stap?
vamos ja
sabes o caminho? weet jij de weg?
sei ja
almoçam em casa? eten jullie thuis?
almoçamos ja
 
Deze antwoorden betekenen dus simpelweg ja
Aan de werkwoordsvorm kan het woordje sim worden toegevoegd, ervoor of erachter.
   
vais de bicicleta? ga je met de fiets?
vou sim ja
   
têm uma casa nova? hebben jullie een nieuw huis?
sim, temos ja
   
Behalve met het werkwoord kan het Portugees ook een bevestigend antwoord geven door het herhalen van andere woorden uit de vraagzin.
   
ainda está a chover? regent het nog?
ainda ja
   
já vais comer? ga je al eten?
ja


Het woordje sim heeft dus bij lange na niet de kracht van JA. Wordt het los gebruikt dan betekent het zoiets aarzelends als, nou ja, of ja hoor
sim sim ja ja, ook al dat aarzelende....
en wat vind je van acho que sim ik denk het wel?

Ook wordt sim gebruikt binnen zinnen als tegenhanger van não.

este sim, o outro não deze wel, de andere niet
sim ou não? ja of nee?
dia sim, dia não om de andere dag


Heb je de uitdrukking sim senhora, al wel eens gehoord?
Het betekent zoiets als: jazeker, zo is dat! Het klinkt altijd nogal terloops, vind ik. Een beetje als een stoplap.
Sim senhor en não senhora en não senhor bestaan ook, ik heb het weinig gehoord tot nu toe. Waarschijnlijk omdat ik een senhora ben...

En pois? Ken je dat?
Dit woordje onderhoudt een gesprek. De luisteraar geeft ermee aan dat hij nog bij de les is.
Pois kun je vertalen met jaja, zeker, ook mag het zijn pois pois ja ja
Ook kan het gevolgd worden door een werkwoordsvorm uit de zin van de spreker.
pois é, pois estou, pois faz, pois vamos
pois não zeker niet, al even terloops gezegd.


Een negatief antwoord wordt gegeven met não. Er wordt meestal een werkwoordsvorm aan toegevoegd.


estás a fazer o almoço? ben je het eten aan het klaarmaken?
não estou nee
   
o senhor é pescador? bent u visser?
não sou nee
   
trazes o marido? breng je je man mee?
não trago nee
Ook bij een negatief antwoord kunnen (tegengestelde) woordjes uit de vraagzin worden herhaald:
ainda está a chover? regent het nog?
já não (está) nee, niet meer
   
já almoçaste? heb je al gegeten?
ainda não nee, nog niet
   
também não sabes? weet jij het ook niet?
também não nee



oefening 11.4 bedenk een vraag bij het antwoord
1 vou
2 já
3 podes
4 amanhã
5 não sei
6 trago, sim
7 é o António
8 também
9 ainda
10 dia sim, dia não
11 estamos
12 faço
13 não é
14 digo
15 dão





In deze les behandelen we

de tegenwoordige tijd van SABER en TRAZER

saber = weten
trazer = (mee)brengen


overzicht 11.2 tegenwoordige tijd
saber trazer
sei trago
sabes trazes
sabe traz
sabemos trazemos
sabem trazem
sabem trazem




oefening 11.5 vul in
1 eu ... anos fazer
2. nós ... contentes estar
3 tu ... uma garrafa de vinho trazer
4 os senhores ... que ... ao mercado dizer, ir
5 nós ... a câmara municipal visitar
6 ela ... sempre a verdade dizer
7 eles ... uma profissão bonita ter
8 eu não ... de bolos gostar (de)
9 ela ... pouco comer
10 tu ... negócias fazer
11 tu não ... nada dizer
12 o senhor ... na cidade viver
13 vocês ... uns livros ler
14 as senhoras ... adeus dizer
15 ele ... os documentos trazer
16 eu não ... a minha idade dizer
17 tu ... a carta no escritório ver
18 nós ... muito leite beber
19. ele ... o presente amanhã? trazer
20 nós ... uma pergunta fazer
klik hier voor de antwoorden




Uitspraak van i



De i wordt altijd als ie uitgesproken, maar als deze letter onbeklemtoond is, moet men de klank iets verkorten.
Voorts: in woorden als pai en boi klinkt i als j.

Luister maar

 o edifício 
 o formulário 
 o princípio 
 estimada 
 a direção 
 o nascimento 
 próprio 
 municipal 
 a polícia 
 os cumprimentos 
 querida 
 o pai - os pais 
 o boi 
 os bombeiros 
 o dinheiro 
 o peixe 
 aquilo 


Huiswerkopdracht
geef een (correct!) ontkennend antwoord op de volgende vragen:

1 (o senhor) já fala português?
2 ele tem pressa?
3 a vizinha fala francês?
4 os homens moram em Lisboa?
5 vocês dão-se bem?
6 vais ao mercado?
7 nós temos razão?
8 vão ter comigo?
9 os senhores já estão em Portugal?
10 és grega?
11 o Ricardo tem dezasseis anos?
12 os teus filhos são casados?
13 vou-me embora?
14 comemos sopa fria?
15 ela é a sua avó?

stuur het resultaat naar de docent, samen met de vragen van oefening 11.4

einde van les 11