home   o princípio les 10


Hoje faz bom tempo



 

 
les 1
les 2
les 3
les 4
les 5
les 6
les 7
les 8
les 9
les 10
les 11
les 12
les 13
les 14
les 15


inhoud
register
 

- persoonlijk voornaamwoord 2
- wederkerend voornaamwoord
- presente van fazer en dizer
- uitspraak o



oefening 10.1 as palavras portuguesas
a família
, een puzzel




In les 2 hebben we kennisgemaakt met het


Persoonlijk voornaamwoord 2


We hebben toen gekeken naar het persoonlijk voornaamwoord als onderwerp. We kijken nu naar het persoonlijk voornaamwoord als lijdend voorwerp en medewerkend voorwerp.
Eerst een overzicht


overzicht 10.1 persoonlijk en wederkerend voornaamwoord
onderwerp meewerkend vw lijdend vw zich
eu me me, mij me me, mij me
tu te jou, je te jou te
ele lhe hem o hem se
ela haar a haar
o senhor u o u
a senhora u a u
nós nos ons nos ons nos
eles lhes hun os hen se
elas haar as haar
vocês u (mv) os
as
u (mv)
os senhores
as senhoras



De plaats van het persoonlijk voornaamwoord als lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en het wederkerend voornaamwoord is normaalgesproken achter de werkwoordsvorm, met een streepje ertussen.


conheço-te ik ken jou
conheço-a ik ken haar
bates-me? sla je mij?
ele ajuda-nos hij helpt ons
amanhã ligo-lhe morgen bel ik u
dou-te um livro ik geef jou een boek
ela dá-me um beijo zij geeft me een zoen
dou-lhe comida ik geef hem te eten
ele pergunta-nos uma coisa hij vraagt ons wat



Even gauw een oefeningetje...

oefening 10.2
1 helpt hij ons?
2 eet je het op?
3 hij geeft me een boek
4 ik heb haar
5 zij slaan jou
6 ken ik jou?
7 ik vertel haar... (contar)
8 ik vraag je wat
klik hier voor de antwoorden



In overzicht 10.1 vind je ook het wederkerend voornaamwoord zich se, dat met het onderwerp kan meeveranderen in me, te of nos


eles conhecem-se desde criança zij kennen elkaar van kinds af
lavo-me todos os dias ik was me elke dag
eles avisam-se zij waarschuwen elkaar
chamamo-nos Maria e Rosa wij heten Maria en Rosa
sentimo-nos bem wij voelen ons goed



Sommige werkwoorden zijn in het Portugees wederkerend en in het Nederlands niet.

 
chamar-se heten
deitar-se gaan liggen (naar bed gaan)
despedir-se afscheid nemen
esquecer-se vergeten
ir-se embora weggaan
levantar-se opstaan
perder-se verdwalen
sentar-se gaan zitten
zangar-se  boos worden



Bij gebruik van NOS verliest de werkwoordsvorm de uitgang s
Hierboven stonden al twee voorbeelden. Vielen ze je op?

chamamo-nos Maria e Rosa wij heten Maria en Rosa
lavamo-nos we wassen ons


We voegen daar nu aan toe:

sentamo-nos numa cadeira we gaan op een stoel zitten
levantamo-nos cedo we staan vroeg op



Al deze woordjes: me, te, lhe, nos, lhes, nos, vos, o, a, os, as en se komen dus als regel achter de werkwoordsvorm, met een koppelteken ertussen.

Er zijn, helaas..., een hoop uitzonderingen op deze regel.
In onder meer de onderstaande gevallen worden 'de woordjes' naar vóór het werkwoord gehaald.
  • in alle ontkennende zinnen
    conheço-te não te conheço
    chamo-o nunca o chamo ik roep hem nooit
    ninguém lhe diz nada niemand zegt hem iets
    não me fazes mal? doe je me geen kwaad?


  • na alle vraagwoorden
    conheço-te como me conheces?
    porque é que ele não me diz nada? waarom zegt hij me niets?
    quando te vejo? wanneer zie ik je?


oefening 10.3 vul aan
1 eu mostro- ... um livro ik laat je een boek zien
2 ele ajuda- ... hij helpt ons
3 ele pergunta- ... uma coisa hij vraagt me wat
4 eu dou- ... uma flor ik geef je een bloem
5 as mulheres conhecem- ... de vrouwen kennen ons
6 dou- ... tudo ik geef hem alles
7 quando ... vejo? wanneer zie ik haar?
8 as crianças lavaram- ... de kinderen wasten zich
9 reconheço- ... bem ik herken je goed
10 bates- ...? sla je mij?
11 sentimo- ... bem we voelen ons goed
12 toma- ... hij pakt het (aan)
13 tu enganas- ... je vergist je
14. levantamo- ... we staan op
15 o Pedro vê- ... Pedro ziet me
klik hier voor de antwoorden


oefening 10.4 hoe zeg je dit in het Portugees?
1 zij wordt boos
2 ik word nooit boos
3 hoe neemt hij haar mee?
4 jij kent me
5 we zien hem niet
6 wanneer bel je ons (op)?
klik hier voor de antwoorden




En dan nu de werkwoorden van deze les.


Tegenwoordige tijd van FAZER en DIZER




overzicht 10.2 tegenwoordige tijd
dizer fazer
eu digo faço
tu dizes fazes
ele (etc) diz faz
nós dizemos fazemos
vocês dizem fazem
eles(etc) dizem fazem


Uitdrukkingen met fazer
fazer a barba zich scheren
fazer anos jarig zijn
fazer bom tempo mooi weer zijn
fazer asneiras stommiteiten uithalen
fazer uma viagem een reis maken


En uitsluitend in de derde persoon enkelvoud
faz calor
faz frio
faz vento
faz sol


oefening 10.5 vervoeg de werkwoorden
1 eu não ... fazer
2 a minha mãe ... batatas comer
3 tu ... linda ser
4 nós ... quatro tios ter
5 nós ... televisão ver
6 a minha irmã ... que vai dizer
7 os sogros ... três filhos ter
8 você ... sozinho viver
9 eu ... muita gente conhecer
10 tu ... o trabalho da casa fazer
11 tu ... a verdade dizer
12 o primo ... anos fazer
13 vocês ... o jornal ler
14 as filhas ... tudo dizer
15 a neta ... muito ler
16 eu não ... nada dizer
17 tu ... o mar ver
18 nós ... um café beber
19 a vizinha ... o almoço fazer
20 nós ... o trabalho fazer
klik hier voor de antwoorden




En de uitspraakoefening...

Uitspraak van o.




Al sinds les 1 weet je dat de o achteraan het woord wordt uitgesproken als oe. Heb je er al een gewoonte van weten te maken?
Het was correcter, nou ja vollediger, geweest om het als volgt uit te leggen:
  • In onbeklemtoonde lettergrepen én in de woorden o, os en por, klinkt de o als oe van poes.
    Dus zowel tomar als gato. (toemaar, gaatoe)
    (In Nederland niet 'mottoe' zeggen, hoor of 'cappucchinoe' :-) zoals ik zo nu en dan...)


  • De o heeft een open klank (o van pot)
    1. als de o beklemtoond is aan het begin van een woord: morte
    2. als er een acento agudo op staat: avó
    3. als er een -l op volgt, (als in goh): sol


  • In bepaalde lettergrepen is de o-klank gesloten (oo van oor)
    1. vóór een -r aan het eind van een woord: amor
    2. o met een acento circunflexo vooravô


Luister maar

en vooral oefen!!


 Portugal 
 nossa 
 temos 
 mora no estrangeiro 
 tenho três cunhados 
 onde moram os seus tios? 
 o programa 
 o diploma 
 o sofá 
 o colega 
 o jornalista 
 o homem 
 o marido 
 o avô - a avó 
 o motorista 
 o sobrinho 
 o professor mostra-me o livro
 o Pedro conhece-me 



Huiswerkopdracht

Luister naar de tekst onder het speakertje en beantwoord onderstaande vragen in correct Portugees.

Wil je de tekst lezen?



1 quantas filhas têm os meus pais?
2 sou casada?
3 sabes quantos filhos eu tenho?
4 os meus pais ainda estão vivos?
5 gosto dos meus irmãos?
6 onde é que mora a minha irmã mais velha?

Stuur je bevindingen naar de docent.

einde van les 10