home   o princípio les 5


Falar para o boneco



 

 
les 1
les 2
les 3
les 4
les 5
les 6
les 7
les 8
les 9
les 10
les 11
les 12
les 13
les 14
les 15


inhoud
register
 

- vragen stellen
- vragend voornaamwoord
- presente van het regelmatig werkwoord
- uitspraak van s en z



Eerst praten! Open de 'stem' en oefen weer flink!

spreekoefening 5
falar para o boneco tegen de muren praten
a gente* tem uma casa bonita wij hebben een mooi huis
você tem um jardim? hebt u een tuin?
onde é a cozinha? waar is de keuken?
não estou em casa ik ben niet thuis
de onde são os senhores? waar komt u vandaan?
estamos na rua we zijn buiten (op straat)
a minha mulher é uma boa cozinheira mijn vrouw is een goede kokkin
comemos na sala we eten in de huiskamer
aonde vão os senhores? waar gaat u (mv) naar toe?
vamos a Lisboa we gaan naar Lissabon
vocês não têm pressa? hebben jullie geen haast?
eles partem hoje à tarde zij vertrekken vanmiddag
quando é que eles vão ao Porto? wanneer gaan zij naar Porto?
eu não vou ík ga niet
não bebo nada ik drink niets
quantos quartos tem esta casa? hoeveel kamers heeft dit huis?

*a gente is een veelgebruikt alternatief voor nós. Hier mag dus ook staan: nós temos uma casa bonita


palavras portuguesas in en om het huis
o quarto (slaap)kamer
as camas bedden
o guarda-fatos kleerkast
o roupeiro kleerkast
o corredor gang
a casa de banho badkamer
a sala huiskamer
os móveis meubels
a mesa e as cadeiras tafel en stoelen
o jardim tuin
a garagem garage
o quarto de hóspedes logeerkamer
o quintal (achter)tuin
o escritório kantoor
a estante (boeken)rek
a escada trap
o sótão e a cave zolder en kelder
a biblioteca bibliotheek
a cozinha keuken
a despensa voorraadkast
o tacho pan
a panela de pressão snelkookpan
os pratos borden
os talheres bestek
a colher, o garfo, a faca lepel, vork, mes
a porta da frente voordeur
o primeiro andar eerste verdieping
o passeio stoep
na rua op straat
na esquina op de hoek





Vragen stellen


  • Let op: vragende zinnen hebben gewoonlijk dezelfde volgorde als 'gewone' zinnen. Alleen de zinsmelodie verandert, hetgeen schriftelijk wordt aangegeven door een vraagteken achter de zin.


    vocês não têm pressa
    jullie hebben geen haast
    vocês não têm pressa?
    hebben jullie geen haast?
    eles partem hoje a tarde
    zij vertrekken vanmiddag
    eles partem hoje a tarde?
    vertrekken zij vanmiddag?
    eles vão ao Porto...
    zij gaan naar Porto 
    eles vão ao Porto?
    gaan zij naar Porto?
    ele fala francês
    hij spreekt Frans
    ele fala francês?
    spreekt hij Frans?



  • Anders is dit wanneer de zin wordt ingeluid door een vragend voornaamwoord. Het onderwerp staat dan veelal achter de werkwoordsvorm. Net als in het Nederlands dus.


    overzicht 5.1 vragend voornaamwoord
    como como se chama o senhor? hoe heet u?
    onde onde estão eles? waar zijn zij?
    de onde ook wel donde de onde és?
    donde és?
    waar kom jij vandaan?
    aonde aonde vais? waar ga je naar toe?
    quando quando fala a senhora? wanneer praat u (mevrouw)?
    quanto quanto custa o almoço? hoeveel kost de lunch?
    quantos quantos quartos tem a sua casa? hoeveel kamers heeft uw huis?
    quantas quantas casas têm? hoeveel huizen hebben zij?
    quem* quem é o senhor? wie bent u (meneer)?


    *quem wordt als onderwerp van de zin altijd gevolgd (of voorafgegaan) door het enkelvoud van het werkwoord.
    Alleen het werkwoord ser kan wel in het meervoud gebruikt worden.
    wie is zij? quem é ela?
    wie zijn zij? quem são eles?
    maar:
    wie loopt daar? quem anda ali?
    wie lopen daar? moeten we anders aanpakken, bijvoorbeeld: quem é que andam ali? Zie hieronder.


  • Er kan bij het stellen van een vraag gebruik gemaakt worden van é que
    Het geeft een bepaalde nadruk aan de vraag of maakt de vraagstelling vriendelijker. Het wordt vrij veel gebruikt.
    Na é que kan de persoonsvorm zowel vóór als achter de werkwoordsvorm staan.

    onde é que estão eles?
    onde é que eles estão?
    waar zijn zij (ook weer)?
    aonde é que eles vão?
    aonde é que vão eles?
    waar gaan zij (ook weer) heen?
    quando é que vais comer? wanneer ga je (eigenlijk) eten?
    onde é que moras? waar woon je (ook weer)?
    quem é que é a senhora? wie bent u, mevrouw?
Nu eerst een tweetal oefeningen:

oefening 5.1 Zet in de juiste volgorde.
1 trabalhas é - onde - ? - que waar werk je?
2 compras - ela - fazer - ? - vai gaat zij boodschappen doen?
3 ? - pratos - temos - brancos hebben we witte borden?
4 ? tens - uns - cozinha - tachos - na heb je enkele pannen in de keuken?
5 o - ? - custa - almoço - quanto wat kost de lunch?
6 o - três - primeiro - quartos - ? - tem - andar heeft de eerste verdieping drie slaapkamers?
7 que - quando - comer - é - vais - ? wanneer ga je eten?
8 ? - é - o - quem - senhor wie bent u, meneer?
9 vocês - ? - têm - pressa - não hebt u geen haast?
10 de - casa - estás - ? - banho - na ben je in de badkamer?
11 novas - batatas - as - ? - são zijn de aardappels nieuw?
12 ? é - cozinha - onde - a waar is de keuken?
13 maior - qual - é - ? - quarto o welke is de grootste kamer?
14 da - porta - aberta - frente - está - ? - a is de voordeur open?
15 alemão - falas - tu - ? spreek jíj Duits?
16 de - são - onde - ? - vocês waar komen jullie vandaan?
17 falas - ? - espanhol - já spreek je al Spaans?
18 é - a - ? - sua - mãe - esta is dit uw moeder?
19 que - o - fala -quando - ? - é - senhor wanneer spreekt u?
20 à - até - ? - próxima tot de volgende keer?
klik hier voor de antwoorden


En nu je toch bezig bent...
oefening 5.2 Zet op de juiste plaats: quantas, quantos, quantos, quanto, como, como, aonde, quando, quando, quem, quem, onde, onde, onde, onde
1 ... filhas tem? hoeveel dochters hebt u?
2 ... é o apartamento? hoe is het appartement?
3 ... é que ele trabalha? waar werkt hij?
4 ... compram uma casa? wanneer kopen zij een huis?
5 ... vão eles visitar? wie gaan zij bezoeken?
6 ... bebes leite? wanneer drink je melk?
7 ... vais? waar ga je naar toe?
8 ... anos tens? hoe oud ben je?
9 ... é que te chamas? hoe heet je?
10 ... é ela? wie is zij?
11 de ... é a senhora? waar komt u vandaan?
12 ... quartos tem esta casa? hoeveel kamers heeft dit huis?
13 ... é que vocês moram? waar wonen jullie?
14 ... custa o café? hoeveel kost de koffie?
15 de ... são os senhores? waar komt u (mv) vandaan?
klik hier voor de antwoorden



Tegenwoordige tijd van de regelmatige werkwoorden



De Portugese werkwoorden kunnen worden onderverdeeld in
drie groepen: die op -AR, -ER en -IR.
falAR praten
bebER drinken
partIR vertrekken

De vervoegingen van deze drie categorieen verschillen slechts een beetje van elkaar. Zie overzicht 5. 2.
Klik op de microfoontjes voor de uitspraak


overzicht 5.2 o Presente van regelmatige werkwoorden
  FALAR praten BEBER drinken PARTIR vertrekken (breken)
eu falo ik praat bebo ik drink parto ik vertrek
tu falas jij praat bebes jij drinkt partes jij vertrekt
ele/ela
o senhor
a senhora
fala hij/zij
u praat
bebe hij/zij
u drinkt
parte hij/zij
u vertrekt
nós falamos wij praten bebemos wij drinken partimos wij vertrekken
vocês* falam jullie praten bebem jullie drinken partem jullie vertrekken
eles/elas
os senhores
as senhoras
falam zij praten
u (mv) praat
bebem zij drinken
u (mv) drinkt
partem zij vertrekken
u (mv) vertrekt
* de archaische vorm (vocês) falais blijft in deze cursus buiten beschouwing.


oefening 5.3 kies de juiste vorm en vertaal
1 (eu)(achar) o português muito fácil vinden
2 (elas) (morar) perto de Faro wonen
3 (eu) (estar) em casa  
4 ela (comer) um bolo eten
5 (eu) (gostar de) falar francês houden van
6 vocês (morar) numa casa antiga  
7 (nós) (falar) português muito bem  
8 (nós) (ter) pouco tempo hebben
9 (eles) (ter) o jornal de ontem  
10 (vocês) (gostar) da chuva  
11 o senhor Pedro (ser) um homem simpático  
12 onde é que (tu) (trabalhar)? werken
13 (tu) (achar) esta casa pequena?  
14 o meu tio (beber) um copo de vinho  
15 (ela) (andar) com o meu irmão 'gaan'
16 (nós) (partir) esta manhã  
17 (ela) (estudar) na Haia? studeren
18 (eu) não (estar) bem  
klik hier voor de antwoorden


En nu andersom, lukt dat ook?

oefening 5.4
1 ik woon in Amsterdam
2 we zijn in het kantoor
3 eet je thuis?
4 zij vertrekken morgen
5 je hebt een mooie broer
6 waar studeert zij?
7 we horen klassieke muziek (ouvir)
8 hoe gaan zij?
9 we vluchten naar Portugal (fugir)
10 leven jullie in Irak?
klik hier voor de antwoorden


oefening 5.5 bedenk vragen bij de volgende antwoorden
1 ele chama-se Pedro
2 a Rita é simpática
3 ele é da Madeira
4 vou todos os dias
5 não, não tenho tempo
6 sim, dou
7 está bom
8 amanhã
9 vamos ao mercado
10 é uma amiga da Luísa
11 é, sim
12 vamos
13 está no quarto
14 não têm
15 não, são brancos
16 falamos muito
17 partem amanhã
18 mais tarde
stuur je antwoorden naar de docent.



De Uitspraak van s en z


De uitspraak van de s is
  • enigszins scherp als - de s aan het begin van een woord staat: sol - bij een dubbele s: isso - en na een medeklinker: conversa


  • Aan het eind van een woord klinkt hij als sj: as, os, óculos


  • Een s tussen klinkers spreekt men uit als z: coisa, os homens


De z wordt uitgesproken
  • als de Nederlandse z, fazer


  • behalve als hij aan het eind van een woord staat, dan klinkt hij als sj: uma vez


Oefen de uitspraak van s en z, klik op de woorden om ze te horen


 saber  
 conselho 
 história 
 apenas 
 as páginas 
 presidente 
 freguesia 
 dos 
 os nossos monumentos 

 fazer 
 dizer 
 zangado 
 luz 
 cozinha 
 treze 
 quinze 
 dezoito 
 catorze 



Huiswerkopdracht
luister naar de tekst onder het speakertje en beantwoord onderstaande vragen in correct Portugees.
Ben je na herhaalde pogingen er niet zeker van dat je alles goed verstaat? Spiek dan even hier

1 como é que se chama ela?
2 quantas filhas tem?
3 onde trabalha a Maria?
4 quantos anos tem a Maria?
5 como se chama o marido dela?
6 qual é o trabalho dele?

Stuur je bevindingen naar de docente, samen met de vragen van oefening 5.5

einde van les 5