home   o princípio les 4


Estamos em Portugal



 

 
les 1
les 2
les 3
les 4
les 5
les 6
les 7
les 8
les 9
les 10
les 11
les 12
les 13
les 14
les 15


inhoud
register
 

- nationaliteiten
- telwoord
- presente van ESTAR en SER en IR
- uitspraak van m en nh



oefening 4.1 eten en zo
as palavras portuguesas, een puzzel
Veel plezier!



Hieronder staat een aantal landennamen met het bijpassende bijvoeglijke naamwoord. Ze zullen regelmatig van pas komen.


overzicht 4.1 nationaliteiten
Angola Angola angolano
Argentinie a Argentina argentino
Australie a Austrália australiano
Belgie a Bélgica belga
Brazilië o Brasil brasileiro
Denemarken a Dinamarca dinamarquês
Duitsland a Alemanha alemão
Engeland a Inglaterra inglês
Frankrijk a França francês
Griekenland a Grécia grego
India a Índia indiano
Indonesie Indonésia indonésio
Irak o Iraque iraquiano
Italie a Itália italiano
Japan o Japão japonês
Mexico o México mexicano
Mozambique Moçambique moçambicano
Nederland a Holanda holandês
Noorwegen a Noruega norueguês
Oostenrijk a Áustria austríaco
Oost-Timor Timor Leste timorense
Portugal Portugal português
Rusland a Rússia russo
Spanje a Espanha espanhol
Verenigde Staten os Estados Unidos da América americano
Zweden a Suécia sueco
Zwitserland a Suíça suíço



oefening 4.2 vul aan
1 na Suécia moram os ...
2 na ... moram os belgas
3 na ... moram os suíços
4 na Itália moram os ...
5 na Alemanha vivem os ...
6 no Brasil moram os ....
7 ... Holanda vivem os ...
8 ... Portugal moram ... ...
9 na Rússia ... os russos
10 os americanos são dos ....
klik hier voor de antwoorden




Het Telwoord



overzicht 4.2 tel je mee?
1 um - uma 11 onze 21 vinte e um(a) 101 cento e um(a)
2 dois - duas 12 doze 22 vinte e dois (duas) 200 duzentos (-as)
3 três 13 treze 33 trinta e três 300 trezentos
4 quatro 14 catorze 44 quarenta e quatro 400 quatrocentos
5 cinco 15 quinze 55 cinquenta e cinco 500 quinhentos
6 seis 16 dezasseis 66 sessenta e seis 600 seiscentos
7 sete 17 dezassete 77 setenta e sete 700 setecentos
8 oito 18 dezoito 88 oitenta e oito 800 oitocentos
9 nove 19 dezenove 99 noventa e nove 900 novecentos
10 dez 20 vinte 100 cem 1000 mil



oefening 4.3 vertaal nu
1- 3 knappe zonen (lindo) 11- drie keer
2- 10 rijke dochters (rico) 12- 64 aardige collegas (simpático)
3- 100 gele bananen 13- 200 nieuwe auto's
4- 99 trouwe Zwitsers (fiel) 14- 9 Braziliaanse meisjes
5- 700 slechte leerlingen 15- 12 koude handen
6- 13 Japanse boeken 16- 15 Duitse winkels
7- 6 blauwe druiven 17- 20 slechte huizen
8- 1021 woorden 18- 800 vreemde talen
9- één mooi verhaal (história) 19- een goede (middag)maaltijd
10- 2 oranje sinaasappels 20- 16 knappe Spaansen
klik hier voor de antwoorden


oefening 4.4 zet in het meervoud
1 uma língua bonita
2 uma palavra difícil
3 ela tem uma irmã
4 ele é um rapaz feliz
5 é o meu livro
6 o papel é amarelo
7 a caneta branca é do professor (pen)
8 a casa é em Coimbra
9 o homem alto é simpático (aardig)
10 o lápis preto é feio (lelijk)
11 tens uma casa confortável
12 um jornal estrangeiro
13 temos uma conversa interessante
14 hoje a lição é simples
15 um professor português é bom
klik hier voor de antwoorden




Ziezo, dan is het nu tijd voor een paar werkwoorden erbij. Met uitsluitend het werkwoord 'hebben' komen we niet ver :-).
We gaan kijken naar de tegenwoordige tijd van ZIJN en GAAN.
Het Portugees kent twee verschillende werkwoorden voor ons werkwoord ZIJN, die in gebruik duidelijk van elkaar verschillen. Een Portugees zal zich nooit vergissen!
Maar wij..... voor ons is het goed opletten geblazen, zeker de eerste tijd.

Eerst even een overzichtje, daarna kijken we naar HET verschil tussen zijn en... zijn.


overzicht 4.3 de tegenwoordige tijd van SER, ESTAR en IR
eu sou (ik ben) estou (ik ben) vou (ik ga)
tu és estás vais
ele/ela/o senhor/a senhora é está vai
nós somos estamos vamos
vocês são estão vão
eles/elas/os senhores/as senhoras são estão vão


SER wordt gebruikt voor onveranderlijke situaties en vaststaande eigenschappen.
voorbeelden
sou uma mulher ik ben een vrouw
ele é brasileiro hij is Braziliaan
somos velhos we zijn oud

ESTAR voor veranderlijke (tijdelijke) situaties.
voorbeelden
estou contente ik ben tevreden
eles estão aqui zij zijn hier
estás bonita (hoje) je bent mooi (vandaag)
o tempo está bom het is mooi weer


Kijk (en luister ) eens aandachtig naar de volgende zinnen. Het verschil komt er overduidelijk in tot uiting.
onde é o correio? waar is het postkantoor
onde está o correio waar is de post

onde é o café waar is het café?
onde está o café waar is de koffie?

a minha tia é (uma) bêbeda mijn tante is een dronkaard
ela está bêbeda zij is dronken


Zie je het verschil tussen het statische postkantoor, het café en de hopeloze tante enerzijds met de vluchtigheid van de post, de koffie en de tante die een borreltje teveel op heeft?

Probeer zo snel mogelijk vertrouwd te raken met enkele veel gebruikte uitdrukkingen met de werkwoorden SER en ESTAR
Je kunt ze meteen toepassen:-)

não pode ser dat kan niet
o que é? wat is het?
está quase het is bijna (klaar)
estás melhor? hoe gaat het ermee? (letterlijk: ben je beter?)
estou para (ir) ik sta op het punt om (te gaan)



IR betekent gaan. Hier wordt ook dit (zeer onregelmatige) werkwoord alvast gepresenteerd, omdat het bijna niet te vermijden is bij het geven van voorbeelden :-)

vou a Amesterdão ik ga naar Amsterdam (eventjes)
ele vai para Amesterdão hij gaat naar Amsterdam (voor langere tijd)
tu vais ao mercado jij gaat naar de markt
vamos passear we gaan op stap
elas vão-se embora* zij gaan weg
vou-me embora ik ga weg


*let op
weggaan is altijd ir-se embora


oefening 4.5 kies het juiste werkwoord
1 ben je hier? (és, estás) aqui?
2 het is mooi weer (é, está) bom tempo
3 u bent mijn vriend o senhor (é, está) o meu amigo
4 deze stad is oud esta cidade (é, está) antiga
5 zij zijn in Lissabon eles (são, estão) em Lisboa
6 Miguel is lang o Miguel (é, está) alto
7 het gaat goed met mij (sou, estou) bem
8 zij zijn vriendinnen (são, estão) amigas
9 zij is aardig ela (é, está) simpática
10 waar ben je? onde (és, estás)?
11 wij zijn thuis (somos, estamos) em casa
12 de bal is rood a bola (é, está) vermelha
13 we zijn buren (somos, estamos) vizinhos
14 ik kom uit Nederland (sou, estou) da Holanda.
15 hij staat in de winkel ele (é, está) na loja.
klik hier voor de antwoorden
 


Tot slot weer een

Uitspraakoefening

Luister met aandacht naar de m.
Het maakt veel uit op welke plaats in een woord hij zich bevindt.

  • Meestal wordt hij uitgesproken als de Nederlandse m: minha, meu,maar....


  • als hij vóór een medeklinker staat of aan het eind van een woord wordt hij niet uitgesproken maar verandert de klinker ervoor in een neusklank.
    bom, bem

nh wordt uitgesproken als nj, en lh als lj, luister maar

Uitspraak
Oefen de Portugese m, nh en lh
Open de 'stem' door op het woord te klikken

   bom dia 
 como estás? 
 tudo bem 
 chamo-me Betinha 
 moro em Amesterdão 
 o senhor e a senhora 
 boa viagem 
 até amanhã 
 não faz mal 
 a minha mãe 
 o homem é o meu marido 
 ele não é mau 
 tenho quinhentas castanhas 
 bacalhau 
 alho 
 mulher 
 vermelho 
 melhor 
 velho 
 grisalho 
 filha 



Wat vind je hiervan?
 Mário Mora foi a Mora 
 com intenção de vir embora 
 mas, como em Mora demora 
 diz um amigo de Mora: 
 -Está cá o Mora? 
 -Está, está cá o Mora .
-Então agora o Mora 
 mora em Mora? 
 Mora, mora 



Huiswerkopdracht

Maak achter elke letter een volwaardige Portugese zin.
Mét werkwoordsvorm dus!

e ................
s ................
c ................
o ................
l ................
a ................

p .................
o ................
r ................
t ................
u ................
g ................
u ................
e ................
s ................
a ................

Stuur je bevindingen naar de docent.

einde van les 4