1 En jij? Wil jij gaan?
2 Kunt u me zeggen waarom?
3 Zij willen niet en kunnen niet.
4 Ana wil me niet helpen.
5 Wij kunnen geloven van wel!
6 Vader kunt u me het telefoonnummer geven?
7 Wij willen vroeg eten.
8 Kun je harder praten?
9 Wilt u met mij dineren, Cees?
10 Ik kan niet, neem me niet kwalijk.