1 acho ik vind Portugees heel gemakkelijk
2 moram zij wonen vlakbij Faro
3 estou ik ben thuis
4 come zij eet een koek (taart)
5 gosto ik spreek graag Frans
6 moram jullie wonen in een oud huis
7 falamos wij spreken heel goed Portugees
8 temos we hebben weinig tijd
9 tÍm zij hebben de krant van gisteren
10 gostam jullie houden van regen
11 ť meneer Pedro is een aardige man
12 trabalhas waar werk jij?
13 achas vind je dit huis klein?
14 bebe mijn oom drinkt een glas wijn
15 anda zij gaat met mijn broer
16 partimos we vertrekken vanochtend
17 estuda studeert zij in Den Haag?
18 estou ik ben (voel me) niet goed